Een tandeloze glimlach

Net als we tevergeefs omdraaien om het onverharde pad terug te lopen naar het klooster, verschijnt schoorvoetend een oude en fragiele gedaante in het openstaande raam van het alleenstaande hutje. Met een tandeloze glimlach gebaart hij ons om binnen te komen.

In het kleine vertrek staan niet veel meer dan een eenvoudig bed, een tweetal houten kisten en verspreid wat persoonlijke spullen. Het zonlicht dat via het raam binnenvalt schijnt op het verweerde hoofd van de in een bordeauxrood gewaad gehulde monnik en licht zijn gemillimeterde, grijze haar op. Met zijn vingers wijzend gebiedt hij ons te gaan zitten op de van bamboe gevlochten matten, die op de houten vloer liggen. Volgzaam gaan we zitten. Deborah naast hem, ik tegenover hem.

Zwijgend pakt hij van onder zijn bed twee kannen, schenkt het hete water uit de ene kan in de kan met groene thee en schenkt deze voorzichtig in kleine porseleinen kopjes. Hij knikt, als teken dat we de thee kunnen drinken. We knikken beleefd terug en drinken de kopjes in kleine slokken leeg. Zodra we de lege kopjes neerzetten schenkt hij de kopjes al glimlachend opnieuw vol. Zittend in lotushouding draait hij zich om en grist van onder zijn bed een grote plastic zak vandaan, die is gevuld met iets dat op kroepoek lijkt. Na wat gefrummel weet hij het elastiekje los te krijgen, breekt de kroepoek in kleinere stukken en legt ze neer op een bord voor ons. Hoofdschuddend en gebarend met onze handen proberen we hem te overtuigen dat het meer dan genoeg is, maar het is tegen dovemansoren gericht.

Zowat een hele theekan en zak kroepoek verder overhandigen de bejaarde handen van de monnik een klein notitieboekje. We openen het boekje en bladeren door de handgeschreven teksten die door andere gasten zijn opgeschreven. Het is duidelijk dat deze oude man graag bezoek ontvangt en zijn gasten gul volstopt met thee, koek en kroepoek. De laatste twee ongetwijfeld omdat de afwezigheid van tanden hem hebben veroordeeld tot een dieet van slurpnoedels en ander vloeibaar eten. Met zijn neus haast in het papier gedrukt, probeert hij de woorden te lezen die ik zojuist in zijn boekje heb gekrabbeld. We leggen tienduizend kyats neer. Kan hij in ieder geval een broodnodige bril kopen. Hij weigert in eerste instantie, maar wij staan erop dat hij het aanneemt. Een tandeloze glimlach ontvouwt zich over zijn gezicht.