Het einde van de weg

We zijn al heel wat uren onderweg vanuit Paramaribo als we aan het begin van de middag een korte tussenstop maken in Pokigron. Een klein dorp langs de bovenloop van de Surinamerivier dat, op een enkele Chinese winkelier na, wordt bewoond door marrons, nazaten van slaven die in het koloniale verleden de plantages ontvluchtten en zich diep in het binnenland langs rivieren en kreken vestigden.

Mijn vader, mijn oom, zijn vriend Harvey en ik stappen uit de grijze pick up. We zijn op weg naar Bakaaboto, een klein recreatieoord langs de Surinamerivier iets verder stroomafwaarts gelegen. Ik kijk rustig om me heen. Voor me loopt de weg schuin af richting het modderige water en verdwijnt daar onder het oppervlak. Vanaf hier kun je de dorpen verder stroomopwaarts alleen nog maar per boot bereiken. Links en rechts zijn mannen druk bezig de smalle, langwerpige houten boten vol te laden met dozen en in plastic tassen verpakte waar. Een volgepakte boot vertrekt onder het lawaai van de ronkende buitenboordmotor. De zittende passagiers kijken stilzwijgend voor zich uit. Op weg naar huis, denk ik.

Ik draai me om en zie vanaf een afstand mijn vader naar zijn oudere broer lachen. Langzaam loop ik naar ze toe. Het doet me goed m'n vader zo te zien. 15 jaar geleden is het dat ze elkaar voor het laatst hebben gezien. Het Suriname van mijn vader, dat in Nederland altijd in de ijskast leek te staan, blijkt hier volledig te ontdooien. Jongensverhalen borrelen naar boven. Met een zwaar Surinaams accent vertelt mijn oom lachend dat mijn vader zijn snoep vroeger onder zijn kussen bewaarde en dat 's nachts stiekem en alleen opat. Waarop mijn vader fel reageert 'ja, anders aten jullie het op!' Hij draait zijn hoofd naar mij en zegt: 'zie je dat ik dat verhaal niet verzonnen heb!' Mijn oom bevestigt het lachend.

We gaan weer naar de auto en ik open het portier. Ik draai me voor de laatste keer om en kijk naar het punt waar de weg het wateroppervlak raakt. 34 jaar geleden stond mijn vader hier ook besef ik me. Een trotse jongeman die zag dat de weg die hij al die tijd had bewandeld eindigde. Maar hij moest verder. Zijn reis ging door. Ik denk aan de mensen in de boot, die de verharde weg hebben verlaten voor het stromende water, de stille blikken op oneindig. Ik kijk naar mijn vader, die voor me is gaan zitten in de auto. Stil kijkt hij vooruit, zijn blik op oneindig.