Herfst in Paramaribo

Onderuit gezakt zit ik op de versleten en doorgezakte tweezitter die op de veranda staat. Het is nog vroeg die morgen. Een paar zonnestralen vallen onder de luifel door de veranda binnen en een lichte ochtendbries brengt aangename verkoeling. Mijn vader en ik drinken van de koffie die zijn liefdevolle en zorgzame tante net naar ons gebracht heeft. Voor ons liggen de twee aangelijnde pitbulls languit op de grond, bij te komen van hun ochtendmaal van rijst en vlees, die ze zoals altijd met veel geweld naar binnen hebben geschrokt. De omvergegooide aluminium eetbakjes en een paar verdwaalde korrels rijst zijn de stille getuigen van de veldslag die zich hier afgespeeld heeft.

We kijken beiden op als vanuit de woning een sloffend geluid klinkt dat zich langzaam naar ons toe beweegt. Een lange, magere gestalte gekleed in een dunne sportbroek verschijnt in de deuropening en zoekt steun tegen de deurpost. “Goed geslapen Deekman?”, vraagt mijn vader opgewekt aan zijn oom. “Huuh?” reageert hij slaperig. “Of je goed hebt geslapen”, herhaalt mijn vader nu luider. “Ja-wel”, verzucht de diepe stem, terwijl hij aanstalten maakt om naar buiten te komen. Krampachtig blijft hij de deurpost vasthouden en verplaatst zijn voeten houterig over de drempel. Voorzichtig schuifelt hij naar de houten stoel die voor hem klaarstaat. Hij laat zich in een gehurkte positie zakken en halverwege laat hij zijn broze en wankele lichaam in één beweging vervaarlijk neerploffen op de lage zitting van de stoel. Hij zit.

Direct pakt hij een sigaret en steekt hem in zijn mond. “Moet ik je sigaret aansteken?”, vraagt mijn vader nadat zijn oom een paar tevergeefse pogingen heeft gedaan. Hij glimlacht zonder wat te zeggen en mijn vader loopt naar hem toe. Witte rook.

“Wat gaan jullie vandaag doen?” vraagt mijn vaders oom geïnteresseerd als hij een paar hijsen heeft genomen. “We gaan naar het binnenland”, antwoordt mijn vader. “Oh” klinkt het haast teleurgesteld. Even is het is stil. “Jullie gaan geweldig genieten!”

Ik kijk naar mijn vaders oom en zie dat zijn gedachten afgedwaald zijn naar het binnenland waar hij zo van houdt. Uren en dagen bracht hij vroeger door in het afgelegen binnenland van Suriname. Jagend op wild met zijn geweer. Of jagend op kleine vogels die hij dan in kooien mee naar huis nam. Het bos, de jacht en het buitenleven. Het stroomde door zijn aderen.

“Als ik beter was kon ik jullie naar daar brengen.” Ik kijk naar mijn vader en glimlach. We denken beiden hetzelfde. Het binnenland is ver weg.